---

In de stilte van de nacht, zo diep,
ligt een kind te huilen, verstopt in zijn slaap.
Woorden, scherp als een messenrand,
gesproken door anderen, drukken zwaar op zijn hand.

De lach die ooit zijn gezicht verlichtte,
is nu een schaduw, een echo, vergiftigd.
Zijn hart gevuld met vragen, zonder antwoord,
Waarom moet ik vechten, wat heb ik verstoord?

Maar daar, in de verre horizon van pijn,
zal hij de kracht vinden, zal hij niet alleen zijn.
Een stem in hem, zacht maar sterk,
fluistert: "Jij bent meer, laat je hart zijn werk."

Hij staat op, dag voor dag, stukje voor stukje,
en vindt de kleuren terug in zijn gebroken stukje.
Want pesten kan breken, maar niet verslaan,
in zijn moed groeit een licht dat eeuwig zal gaan.

---

 


Een gekwetst kind
Kleine handen, trillend zacht,
Dromen gestolen in de nacht.
Ogen vol met onbegrepen pijn,
Waar is de warmte, die ooit de zijne was?
Stemmetjes fluisteren, onzichtbaar en stil,
Een hart dat roept, maar niet altijd wil.
Gebroken beloftes, een echo in de tijd,
Waar blijft de schaduw die troost biedt in spijt?
Maar toch, een vonk, verborgen diep,
Een sprankje hoop dat nooit vervliegt.
Een nieuw begin, een kans om te zien,
Dat zelfs een gekwetst kind kan herbeginnen misschien.

Ik ken mezelf niet meer.

Leven doe ik wel maar hoe.

Soms zie ik geen licht.

Mijn wens is er om soms niet meer te zijn,

Maar ik heb nog werk voor ik het moet gaan.

Toch leef ik niet voluit.

Want steeds ben ik bang.

Bang voor de toekomst,

Bang voor het leven.

Met de vraag leef ik wel.